Betere rechtsbescherming via het Hof van Justitie van de Europese Unie

Indien de Europese Grondwet in werking treedt, zal de rechtsbescherming van de burger in een aantal opzichten worden verbeterd.

Allereerst zal het Grondrechtenhandvest van de Unie juridisch bindende kracht krijgen. Het Handvest bevat zo'n 50 fundamentele rechten, variërend van klassieke rechten zoals de vrijheid van meningsuiting, tot sociale rechten zoals het recht op werk. Wanneer men het Handvest vergelijkt met andere verdragen en verklaringen op het terrein van de rechten van de mens, valt een aantal 'nieuwe' rechten op, zoals het recht op toegang tot informatie en het recht op een behoorlijk bestuur.

Inhoudelijk is het Handvest daarmee een aantrekkelijke 'grondrechtencatalogus', maar op dit moment heeft het slechts een zwakke juridische status. Het Handvest werd namelijk in 2000 in Nice als een politieke verklaring aangenomen. Burgers kunnen zich er dan ook nog niet op beroepen in procedures voor, bijvoorbeeld, het EG-Hof van Justitie. Dat verandert met de inwerkingtreding van de Grondwet. Het Handvest is opgenomen als deel II van de Grondwet, en dat betekent dat het onderdeel gaat uitmaken van deze juridisch bindende tekst.

In de tweede plaats voorziet de Grondwet er in dat de Unie partij zal worden bij het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens (EVRM). Alle lidstaten van de Unie zijn al partij bij dit verdrag, maar de Unie zelf is dat niet. Die situatie is onwenselijk, omdat allerlei bevoegdheden zijn overgedragen aan de Unie. In de praktijk komt het voor dat burgers en bedrijven menen dat de Unie inbreuk maakt op de rechten die het EVRM beschermt. Er is maar een manier om er achter te komen of zij gelijk hebben: door te klagen bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, dat nu eenmaal de enige instantie is die uiteindelijk kan bepalen of in een specifiek geval het EVRM is geschonden of niet. Een klacht tegen de de EU is momenteel echter uitgesloten, omdat deze geen partij is bij het EVRM. Artikel I-9 van de Grondwet biedt een rechtsbasis om de Unie tot het EVRM te laten toetreden.

Sommigen beweren dat dit tot een gecompliceerde rechtsgang zal leiden. Dat is echter een schijnprobleem: zó ingewikkeld wordt het niet. Wie een geschil met de Unie heeft en in een zogenaamde directe actie voor het EG-Hof van Justitie procedeert, kan aansluitend een klacht tegen de Unie indienen bij het EHRM. Wie voor de nationale rechter procedeert, kan - ook als er in die procedure prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie zijn gesteld - na uitputting van de nationale rechtsmiddelen naar Straatsburg. Deze mogelijkheid bestaat nu ook al. Er verandert al met al niet zoveel ten opzichte van de huidige situatie. Het is bovendien goed te beseffen dat er nu soms sprake is van een gecompliceerde rechtsgang, die dankzij de Grondwet overbodig wordt. Butrgers die menen dat de Unie hun rechten heeft geschonden, maar niet kunnen klagen tegen diezelfde Unie, proberen nu - bij gebrek aan beter - de lidstaten aan te spreken wegens de vermeende communautaire schendingen van mensenrechten. Dergelijke procedures zijn complex maar worden worden in toenemende mate gevoerd. Als de Unie eenmaal partij is bij het EVRM, wordt die omweg overbidg: klagers kunnen hun klachten voor het EHRM direct tegen de Unie richten

In de derde plaats verruimt de Grondwet de mogelijkheden voor burgers om te klagen bij het EG-Hof van Justitie. Levert het van oudsher geen probleem op als iemand wil klagen over een tot hem persoonlijk gerichte beschikking, er zijn veel meer obstakels als men wil klagen over algemene regelingen. Dat kan een reëel gat in de rechtsbescherming opleveren. Daarom wordt er al jaren in juridische kring gepleit voor een ruimere toegang tot het Hof. Artikel III-365 biedt een verruiming, die misschien niet zover gaat als sommigen hadden gehoopt, maar in elk geval een stap in de goede richting is.

Bijdrage van Professor Dr R.A. Lawson, Faculty of Law, Leiden